Titelbalk
U bent hier: PASO > Flitsen > Flits 10

 





 

Hand in hand door innovatieland: innovatie en samenwerking bij starters


Het Pact van Vilvoorde legt grote nadruk op innovatie en groei. Men streeft er naar om tegen 2010 een kwart van de omzet van de Vlaamse ondernemingen via nieuwe producten en diensten te realiseren (doelstelling 9). Daarnaast zou ook het percentage 'gazellen' of snel groeiende middelgrote ondernemingen tegen 2010 moeten verdubbelen (doelstelling 7). Om de haalbaarheid van deze doelstellingen in te schatten en tijdig supplementaire initiatieven te kunnen plannen, is het uitermate belangrijk om zicht te krijgen op de mate waarin startende ondernemingen zich toeleggen op productinnovatie, hun succes in deze innovatietrajecten op te volgen en uit te zoeken hoe de kans op succesvolle productinnovatie verhoogd kan worden. We geven hier een eerste aanzet. We doen daartoe beroep op de data uit de START-survey, een representatieve steekproef van 637 starters in Vlaanderen. Het gaat om vennootschappen met minimum 1 werknemer, die opgestart zijn in 2001 en door het START-team gescreend zijn in de tweede helft van 2003. In de analyses van deze flits beperken we ons tot de 223 staande starters (vennootschappen met een nieuwe bedrijfsactiviteit) uit de steekproef. Vliegende starters (starters die onder een andere vorm of een ander juridisch statuut al activiteiten uitoefenden voor de nieuwe of officiële startdatum) worden hier buiten beschouwing gelaten.

Vlaamse starters en productinnovatie

Productinnovatie wordt vandaag gezien als een van de belangrijkste strategieën voor startende ondernemingen om op lange termijn te overleven. Wanneer we spreken over productinnovatie, verwijzen we zowel naar het verbeteren van bestaande producten/diensten als naar het ontwikkelen van nieuwe producten/diensten. Het verbeteren van bestaande producten/diensten stelt startende ondernemingen in staat om in te spelen op de veranderende eisen en verzuchtingen van bestaande en potentiële klanten. Het creëren van nieuwe producten/diensten laat starters toe om nieuwe commerciële markten te betreden. Dit kan tot een betekenisvolle verhoging van de omzet leiden. Kortom, productinnovatie kan een belangrijke hefboom zijn voor starters om een stabiele groei te realiseren.

Tabel 1 geeft aan welk aandeel van de startende vennootschappen sinds hun oprichting bezig zijn geweest met activiteiten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met productinnovatie. 65,7% van de starters heeft zich op minstens een van de 7 vermelde innovatieve activiteiten toegelegd. 42,5% van de starters heeft getracht nieuwe producten/diensten of technologieën op de markt te brengen. 26,1% van de starters zegt actief te zijn geweest in onderzoek naar nieuwe producten/diensten of technologieën. Ook investeringen in hardware (24,2%) en software (17,9%) met het oog op product- en procesinnovaties zijn relatief populair.

Tabel 1 Frequentie (%) van starters die bezig zijn geweest met innovatieve activiteiten.
* N=207
Bron: Gegevens berekend op basis van START 2003

Hoe succesvol zijn innovatie-actieve starters?

Innovatieve activiteiten ondernemen is nog geen garantie voor het daadwerkelijk realiseren van productinnovaties. In Tabel 2 geven we aan welk aandeel van de innovatie-actieve starters erin geslaagd is om tijdens het afgelopen jaar producten/diensten te verbeteren en/of nieuwe producten/diensten te ontwikkelen. We stellen vast dat minder dan de helft (44,8%) van de innovatie-actieve starters erin slaagde om producten of diensten te verbeteren. Slechts 50% van innovatie-actieve starters heeft nieuwe producten of diensten kunnen ontwikkelen. Het vertalen van innovatieve activiteiten in verbeterde of nieuwe producten/diensten lijkt dan ook niet vanzelfsprekend voor starters.

Tabel 2 De innovatie output van innovatie-actieve starters
* N=136
Bron: Gegevens berekend op basis van START 2003

Er kunnen verschillende redenen aangehaald worden om deze op het eerste zicht relatief lage 'doeltreffendheid' te verklaren. Ten eerste vergt geslaagde productinnovatie een kritische massa aan technologische en commerciële kennis. De meeste productinnovaties komen tot stand door het combineren van specifieke kennis uit verschillende technologische domeinen. Bovendien kan een productinnovatie enkel succesvol zijn wanneer gedetailleerde kennis over de noden en verzuchtingen van potentiële klanten aanwezig is. Voor startende ondernemingen, die vaak slechts over beperkte menselijke en technologische middelen beschikken, is het verzamelen van een dergelijke hoeveelheid kennis niet vanzelfsprekend. Ten tweede mag men niet vergeten dat productinnovaties een groot economisch risico met zich meebrengen. Het ontwikkelen van verbeterde of nieuwe producten/diensten vraagt dikwijls omvangrijke investeringen met een erg onzeker terugverdieneffect. Vele starters verkiezen dan ook om hun aandacht te richten op het genereren van voldoende omzet met hun bestaande producten en diensten in plaats van te kijken hoe verbeterde of nieuwe producten in de toekomst een groei in de omzet kunnen realiseren. Op die manier krijgen projecten die gericht zijn op productinnovaties dikwijls te weinig financiële middelen toegewezen.

Werken aan een meer succesvolle productinnovatie

Het gebrek aan kennis en financiële middelen zijn belangrijke barrières voor startende ondernemingen om succesvol producten te verbeteren of nieuwe producten te ontwikkelen. De innovatieliteratuur maakt echter duidelijk dat het mogelijk is voor starters om deze interne beperkingen te overwinnen. Zo wordt de laatste jaren interorganisatorische samenwerking naar voor geschoven als een belangrijk instrument om het innovatieve vermogen van starters te verhogen. Met de term interorganisatorische samenwerking verwijst men naar alle types van formele samenwerking - denk hier aan Joint Ventures, Joint R&D Agreements, Technology Exchange Agreements, Customer-Supplier Agreements, … die onafhankelijke ondernemingen met elkaar kunnen aangaan.

In de literatuur worden verschillende redenen aangehaald waarom interorganisatorische samenwerking de kans op succesvolle productinnovatie bij startende ondernemingen kan verhogen. Samenwerking met andere partners maakt het in de eerste plaats mogelijk om toegang te krijgen tot een ruime waaier aan competenties die intern niet voorhanden zijn. Samenwerking met leveranciers laat bijvoorbeeld toe om diepgaande kennis te verzamelen over de basiscomponenten van de producten/diensten die de startende onderneming produceert/levert. Dergelijke kennis kan een belangrijke hefboom zijn om bestaande producten/diensten te verbeteren. Door samen te werken met commerciële O&O-instellingen of universiteiten kunnen starters toegang krijgen tot nieuwe technologische kennis die het ontwikkelen van nieuwe producten/diensten kan stimuleren. Samenwerking met klanten laat dan weer toe om een duidelijker beeld te krijgen van hoe afzetmarkten evolueren en op welke manier de startende onderneming hierop kan inspelen.

Interorganisatorische samenwerking kan verder ook het financiële draagvlak voor innovatieve projecten verhogen. Door samen te werken met andere partners moet de startende onderneming niet langer alleen alle investeringen dragen die nodig zijn om productinnovaties tot een goed einde te brengen. In de biotechnologiesector ziet men bijvoorbeeld dat startende ondernemingen samenwerkingsovereenkomsten sluiten met gevestigde farmaceutische bedrijven om het grote economisch risico, inherent verbonden aan de opstartfase, te reduceren tot een aanvaardbaar niveau.

Interorganisatorische samenwerking heeft tevens een belangrijke signaalfunctie ten aanzien van de markt. Wanneer een startende ondermening erin slaagt een formeel samenwerkingsakkoord af te sluiten met een gevestigde waarde in de sector, kan dergelijk samenwerkingsverband door de markt geïnterpreteerd worden als een positieve indicator voor de kwaliteit en professionaliteit van de starter. Hierdoor zullen potentiële klanten sneller geneigd zijn producten van de startende onderneming te overwegen, wat de kans op een succesvolle introductie van productinnovaties substantieel verhoogt.

Interorganisatorische samenwerking gemeten

In de START-survey werd aan de respondenten gevraagd om aan te geven of ze sinds hun oprichting formele samenwerkingsverbanden zijn aangegaan om 1) bestaande producten/diensten te verbeteren en 2) nieuwe producten/diensten te ontwikkelen. Wanneer we ons beperken tot de innovatie-actieve starters, dan stellen we vast dat bijna drie vierde van de innovatie-actieve starters minstens met één externe partner heeft samengewerkt om producten/diensten te verbeteren (Figuur 1). 40,8% van de innovatie-actieve starters heeft interorganisatorische samenwerking aangewend om nieuwe producten/diensten te ontwikkelen. Leveranciers, klanten en ondernemingen uit dezelfde sector worden het meest aangesproken als externe partner om samen bestaande producten/diensten te verbeteren. Voor het samen ontwikkelen van nieuwe producten werkt men meestal samen met klanten en leveranciers. Noch voor het verbeteren van bestaande, noch voor het ontwikkelen van nieuwe producten of diensten wordt frequent samengewerkt met commerciële O&O-instellingen, universiteiten, ondernemingen uit andere sectoren of de overheid.

Figuur 1 Frequentie (%) van innovatie-actieve starters die samenwerken voor het realiseren van innovaties
* N=136
Bron: Gegevens berekend op basis van START 2003

Interorganisatorische samenwerking als risicovolle onderneming

De observatie dat interorganisatorische samenwerking veel potentieel heeft om de innovatiestrategie van starters te versterken, betekent nog niet dat samenwerking altijd succesvol is. De innovatieliteratuur wijst ook op een aantal belangrijke risico's. Ten eerste is het mogelijk dat partners de samenwerking 'misbruiken' voor hun eigenbelang. Dergelijk opportunistisch gedrag kan zich bijvoorbeeld uiten in de vorm van ongewenste kennisoverdracht waarbij partner A unieke kennis of competenties overneemt van partner B zonder dat partner B hiermee heeft ingestemd. Op die manier kan een samenwerking snel omslaan in een competitief bloedbad. Ten tweede moet men beseffen dat wanneer partners erin slagen succesvol samen te werken, dit nog niet betekent dat ze beide evenveel vruchten zullen plukken van de samenwerking. Voor starters is deze problematiek vooral van belang bij samenwerking met grote, gevestigde ondernemingen. In een dergelijke samenwerking bestaat immers het risico dat de grote onderneming haar machtspositie aanwendt om de toegevoegde waarde van de samenwerking naar zich toe te trekken.

Werkt samenwerken? de balans

Interorganisatorische samenwerking kan door starters aangewend worden om bepaalde innovatie gerelateerde barrières te overwinnen. Tegelijkertijd gaat interorganisatorische samenwerking met risico's gepaard die de meerwaarde van samenwerking kunnen ondermijnen. Met behulp van de START-data gaan we na of interorganisatorische samenwerking daadwerkelijk loont; of ze met andere woorden kan bijdragen tot meer succesvolle productinnovatie door innovatie-actieve starters. Meer bepaald voeren we twee logistische regressies uit waarbij het al dan niet verbeterd hebben van producten/diensten fungeert als afhankelijke variabele in de eerste regressie en het al dan niet ontwikkeld hebben van producten/diensten als afhankelijke variabele in de tweede regressie dienst deed.

Tabel 3 Logistische regressies die impact van samenwerking op productinnovatie nagaan
Bron: Gegevens berekend op basis van START 2003; N=125

In de eerste regressie stellen we vast dat de aanwezigheid van minstens één interorganisatorische samenwerking om bestaande producten/diensten te verbeteren een significante en positieve invloed heeft op de kans om daadwerkelijk bestaande producten/diensten te verbeteren. Met behulp van de geschatte coëfficiënt kunnen we bovendien voorspellen dat het opstarten van minstens één interorganisatorische samenwerking om bestaande producten/diensten te verbeteren de kans op het succesvol verbeteren van bestaande producten/diensten met 24% verhoogt. In de tweede regressie komen we tot de vaststelling dat het aangaan van minstens één interorganisatorische samenwerking om nieuwe producten/diensten te ontwikkelen een significante en positieve invloed heeft op de kans om daadwerkelijk nieuwe producten/diensten te ontwikkelen. Zo verhoogt de kans op het succesvol ontwikkelen van nieuwe producten/diensten met 27% wanneer een innovatie-actieve starter minstens één samenwerking met dit doel aangaat. Op basis van deze analyses kunnen we besluiten dat, ondanks de mogelijke risico's, interorganisatorische samenwerking de kans op succesvolle productinnovatie substantieel verhoogt voor startende ondernemingen.

In de regressies werden ook een aantal controlevariabelen opgenomen waarvan men kan vermoeden dat ze ook een effect hebben op het succes van innovatieve activiteiten. Wat betreft het verbeteren van bestaande producten/diensten vertoonden deze controlevariabelen echter geen enkel significant effect. Voor het ontwikkelen van nieuwe producten/diensten werden echter wel enkele significante effecten gevonden. Zo blijkt dat innovatie-actieve starters uit de sectoren industrie, groot en kleinhandel, horeca en financiële en zakelijke dienstverlening een hogere slaagkans hebben op ontwikkelen van nieuwe producten/diensten. Verder geven de resultaten aan dat innovatie-actieve starters die zich toeleggen op experimentele ontwikkeling significant meer kans hebben om nieuwe producten/diensten te ontwikkelen.

Aanbevelingen

Aanbevelingen voor starters. Productinnovatie kan een belangrijke hefboom zijn voor starters om een stabiele groei te realiseren. Het hoeft daarom niet te verbazen dat vele starters trachten hun bestaande producten/diensten te verbeteren of nieuwe producten/diensten te ontwikkelen. Het succesvol afronden van dergelijke innovatieve activiteiten lijkt echter niet vanzelfsprekend. Een gebrek aan kennis en financiële middelen zijn belangrijke barrières voor starters om productinnovaties te realiseren. De data uit de START-survey suggereren dat interorganisatorische samenwerking een belangrijk instrument kan zijn voor starters om de slaagkans van hun innovatiestrategieën op te krikken. Op basis van deze vaststelling willen we starters aanbevelen om interorganisatorische samenwerking te overwegen in het kader van hun innovatiestrategieën. Dit wil echter niet zeggen dat starters met om het even wie samenwerkingsovereenkomsten moeten afsluiten. Het is immers niet ondenkbaar dat partners de samenwerking zullen misbruiken. Daarom pleiten we ervoor dat startende ondernemingen interorganisorische samenwerking aangaan onder de volgende condities: 1) de potentiële partner heeft complementaire kennis en/of middelen die een toegevoegde waarde kunnen betekenen voor de innovatiestrategie van de starter; 2) de potentiële partner is een organisatie waarin men vertrouwen heeft en 3) bij het begin van de samenwerking wordt formeel vastgelegd hoe de potentiële toegevoegde waarde van de samenwerking over de verschillende partners zal verdeeld worden. Dit betekent dat we pleiten voor gerichte samenwerking met specifieke, betrouwbare partners waarbij een formeel contract duidelijkheid verschaft over de verdeling van de potentiële meerwaarde van de samenwerking.

Aanbevelingen voor intermediaire organisaties. Het vinden van complementaire en betrouwbare partners is geen sinecure voor starters. Het sociale netwerk van startende vennootschappen is dikwijls beperkt en het management heeft meestal weinig tijd om te zoeken naar partners. Intermediaire organisaties zoals de beroepsfederaties zouden hier een belangrijke rol kunnen spelen. Deze organisaties kunnen de rol opnemen van tussenpersoon om bedrijven met complementaire behoeften met elkaar in contact te brengen. Eerste initiatieven in dit opzicht zijn vandaag al aanwezig. We kunnen bijvoorbeeld verwijzen naar de inspanningen van Agoria om via studiedagen en bedrijfsseminaries bedrijfsleiders van KMO's samen te brengen.

Wij zouden hier echter willen pleiten voor een nog actievere rol van de beroepsorganisaties in het samenbrengen van startende bedrijven met externe partners. Ons lijkt het zinvol dat binnen beroepsfederaties een platform gecreëerd wordt waarop startende bedrijven innovatie gerelateerde noden en behoeften kunnen plaatsen. Vervolgens zou de beroepsfederatie als tussenpersoon op zoek kunnen gaan naar een bedrijf of kenniscentrum dat de nodige complementaire kennis en/of middelen bezit om op deze noden in te spelen. Op die manier wordt de beroepsfederatie een actieve facilitator voor het initiëren van samenwerkingsverbanden tussen starters en andere leden van de federatie. Bovendien fungeren de beroepsfederaties in een dergelijk systeem als een belangrijke kwaliteitsfilter bij de selectie van partners. Daarnaast lijkt het ons zinvol dat de beroepsfederatie als tussenpersoon de samenwerking actief ondersteunt. Zo zouden consulenten van de beroepsfederatie het negotiatieproces tussen de partners kunnen opvolgen en begeleiden. Hierdoor verhoogt de kans op een kwalitatief hoogstaand samenwerkingscontract wat de risico's van samenwerken voor de starter gevoelig kan reduceren.

Aanbevelingen voor de overheid. De innovatie gerelateerde noden en behoeften van startende ondernemingen vereisen dikwijls ook sectoroverschrijdende samenwerking. Naar onze mening zou de overheid een belangrijke rol kunnen spelen bij het stimuleren en begeleiden van dergelijke samenwerking. Vandaag bestaan al overheidsinitiatieven om samenwerking tussen KMO's en andere organisaties financieel te ondersteunen. Zo keurde de Vlaamse Regering op 24 mei 2002 het VIS-besluit goed dat voorziet in ondersteunende financiering van samenwerkingsprojecten die gericht zijn op kennisuitwisseling tussen KMO's en kenniscentra en/of bedrijven. Zo kunnen bedrijven gezamenlijk een project voor collectief onderzoek indienen bij het IWT. Wanneer het IWT dit project goedkeurt, wordt maximaal 50% van de projectkosten door de overheid gefinancierd.

Dit VIS-besluit kan gezien worden als een belangrijk instrument om samenwerking tussen KMO's en andere organisaties te stimuleren. We merken echter op dat de financieringsprocedure vereist dat bedrijven voordien met elkaar in contact gekomen zijn. Voor startende bedrijven is dit niet vanzelfsprekend. Daarom zouden we ook hier willen pleiten voor een actievere rol waarbij de overheid niet alleen fungeert als financieringsbron, maar, net zoals de beroepsfederaties op sectorniveau, actief stappen onderneemt om starters met specifieke behoeften in contact te brengen met kenniscentra en/of organisaties uit verschillende sectoren. Wij vermoeden dat vooral het IWT een centrale rol kan spelen in de begeleiding en ondersteuning van dergelijke sectoroverschrijdende initiatieven.

Leuven, 22 oktober 2004


Voor meer informatie over deze flits kan u terecht bij
Dries Faems (016-326895) of Luc Sels (016-326872)

U kan deze flits ook downloaden als Word-document.


Referenties

Voor meer informatie over de barrières voor succesvolle productinnovatie bij starters:
- Rothwell, R. & Zegvelt, W. (1982) Innovation and the small and medium sized firm. London: Francis Pinter.

Voor meer informatie over de voor- en nadelen van interorganisatorische samenwerking voor starters:
- Baum, J.A.C.; Calabrese, T.; Silverman, B.S. (2000) Don't go it alone: alliance network composition and startups' performance in Canadian biotechnology. Strategic Management Journal, 21: 267-294.

Voor meer informatie over de mogelijke rol van intermediaire organisaties bij het stimuleren van samenwerking bij KMO's:
- Major, E. & Cordey-Hayes, M. (2003) Encouraging innovation in small firms through externally generated knowledge. In: Shavinna, L.V. (ed.) The international handbook on innovation. Pergamon:Amsterdam.

Voor meer informatie over het VIS-besluit:
- http://www.iwt.be/iwtvlaanderendef.htm

top